late [adjective, adverb]


– "Hoe laat is het?"
("What time is it?" Literally: "how late is it?")

– "Hoe laat begint de voorstelling?"
("At what time does the show begin?")

– "Beter laat dan nooit!"
("Better late than never!")

– "Vroeg of laat zal dit een keer misgaan!"
("Sooner or later this will go wrong (one time)!" Literally: "Early or soon…")

– "Is het nog laat geworden gisteravond?"
("Did you/people stay late last night?" Literally: "Has it become late last night?")

– "Sorry, maar daar is het nu te laat voor!"
("(I’m) sorry, but it is too late for that now!")

– "Op dit late uur kunnen wij u niet van dienst zijn!"
("At this late hour we cannot be of service to you!")

– "Weer was Frank te laat op de vergadering vanochtend."
("Again, Frank was late for the meeting this morning.")

– "Regelmatig moeten er leerlingen nablijven omdat ze ‘s ochtends te laat op school zijn."
("Frequently pupils have to be kept in detention because they were late for school in the morning.")

– "Goede raad komt nooit te laat."
("Good advice never comes too late .")

Related words:
– "Laatkomer": latecomer, late arrival.
– "Laatbloeier": late-bloomer (typically said of a person who starts engaging the opposite sex at an older age).
– "Verlaat": late, in the meaning of being late for an appointment.

"Mijn excuses, maar ik ben iets verlaat deze ochtend."
(<calling the dentist:> "My apologies but I am somewhat late this morning.")