[de op-los-sing, de op-los-sin-gen]

Wat is de oplossing voor deze puzzel?An “oplossing” can be solution to a given problem/riddle but also a settlement of a quarrel or disagreement. It is also often used as a ‘way out’. The answer to a simple question is ‘antwoord’ in Dutch. If you are into chemistry (‘scheikunde’ in Dutch) you will of course go wild with your ‘oplossingen’ just like you would in English 🙂

– “Sander heeft nog geen goede oplossing voor het DWOTD-audioprobleem.” 
(“Sander still doesn’t have a good solution to the DWOTD audio problem.”)

– “IKEA heeft diverse oplossingen voor het opbergen van spullen in kleine ruimtes.” 
(“IKEA has several solutions for storing things in small spaces.”)

– “De abdotrainer is dé oplossing voor al uw problemen, bestel hem nu direct via telefoonnummer…” 
(“The abdotrainer is the solution to all your problems, order it now straight away through phone number…” To emphasize a vowel in Dutch you use the ‘accent aigu’ (we borrowed the term from French). )

– “Kijk, als tijdelijke oplossing kan ik dit goedkeuren, maar voor de lange termijn moet er een structurele oplossing gevonden worden.” 
(“Look, as a temporary solution I can accept/approve this, but for the long term a permanent solution has to be found.” Lit.: “structural solution”. When you mean ‘temporary solution’ as in ‘make-shift solution’, we use the word ‘noodoplossing’ (’emergency solution’).)

– “Zijn jullie nog tot een oplossing gekomen?” – “Nee, het is bij oeverloze discussies gebleven!” 
(“Have you reached (/come to) a solution?”  – “No, we didn’t get past the stage of endless discussions!”)

– “Ik kan u een oplossing bieden die past bij uw wensen en budget.” 
(“I can offer you a solution that meets your requirements and budget.”  Lit. “…that fits your wishes and budget.”)

Related words:
– Noodoplossing: temporary (make-shift) solution [noun] [de noodoplossing, de noodoplossingen].
– Oplossen: to solve, dissolve, resolve [verb] [loste op, opgelost].

– “Hoe heb je het uiteindelijk opgelost dan?” – “Ja, niet dus!”
(“So how did you solve it in the end?” – “Well, I didn’t!”)

– Probleem: problem [noun] [het probleem, de problemen].
Antwoord: answer [noun] [het antwoord, de antwoorden].
Raadsel: riddle [noun] [het raadsel, de raadsels].
– Oplossingsgericht: solution driven/minded [adjective].