to ask, to inquire [verb] [vraagde, gevraagd] ['vraa-gun']
The noun that goes with "vragen" is "vraag": question. Note that "to ask a question" in Dutch is not "een vraag vragen" but "een vraag stellen".
Examples:
- "Pardon meneer, mag ik u iets vragen?"
("Excuse me sir, can/may I ask you something?")
- "Er is gelegenheid tot het stellen van vragen."
("There is opportunity to ask questions.")
- "Wist je dat je Sander en Marc altijd een vraag kan stellen over de Nederlandse taal?"
("Did you know that you can always ask Sander and Marc a question about the Dutch language?")
- "Als je een vraag stelt aan de DWOTD, dan wordt deze op de blog beantwoord als weekendvraag."
("If you ask the DWOTD a question, it will be answered on the blog as the weekend question.")
- "Er zijn geen domme vragen, alleen domme antwoorden."
("There is no such thing as stupid questions, there are only stupid answers.")
Expressions:
- "Erom vragen": to ask/call for it.
- "Om moeilijkheden vragen": to ask for trouble.
Related words:
- "Een vraag stellen": to ask a question.
- "Informeren": to inquire.
- "Beantwoorden": to answer.